Snoeihard oordeel TU Delft over Nederlands windturbine-optimisme

Snoeihard oordeel TU Delft over Nederlands windturbine-optimisme

Nieuwe wetenschappelijke bevindingen van de TU Delft zetten zware vraagtekens bij het Nederlandse optimisme over offshore windenergie en laten zien dat de werkelijke opbrengsten veel lager liggen dan jarenlang werd aangenomen.

Bron: Climate.gov

Peter Baeten
Datum: 11 december 2025

DEEL:

Het rendement van windparken op zee wordt systematisch overschat. Windturbines blijken in parken bijvoorbeeld veel meer wind van elkaar weg te vangen dan werd aangenomen. Dat concluderen wetenschappers van de TU Delft met anderen in een recent onderzoek in het tijdschrift Cell Reports Sustainability. Nederland overschat de opbrengsten het meest. Het rendement voor grote windparken ligt in werkelijkheid op 34,6% (van het piekvermogen), terwijl onze overheid uitgaat van 51%.    

“De grootschalige implementatie van windturbines op zee stuit op aerodynamische beperkingen die de efficiëntie, energieopbrengst en netintegratie beperken”, zo beginnen de onderzoekers in Cell Reports Sustainability. Ze concluderen dat turbines in grote windparken elkaars wind veel meer ‘wegvangen’ dan altijd werd aangenomen. Daarnaast werd ook overschat hoezeer de molens nog profiteren van energie die uit hogere windlagen naar beneden komt.

De onderzoekers presenteren vervolgens een model voor de productie van offshore windparken. Het model is gevalideerd aan de hand van gegevens van 72 offshore windparken over een periode van 420 jaar. “We vergelijken nationale beleidsdoelstellingen in Europa en de VS en constateren dat de energieproductie sterk wordt overschat en dat de energiekosten, de variabiliteit van de stroomvoorziening, de integratiekosten, de beperkingen en de beleidsrisico’s worden onderschat.”

De onderzoekers zijn vooral snoeihard over Nederland en schrijven onder meer: “Het Nederlandse beleid is bijzonder leerzaam, niet alleen omdat het de grootste waargenomen discrepantie tussen officiële doelstellingen en aerodynamische beperkingen vertegenwoordigt, maar ook omdat het illustreert hoe beleid snel kan evolueren, soms in contraproductieve richtingen. Beleid is inherent dynamisch, en de recente ontwikkelingen in Nederland, waaronder het geactualiseerde Windenergie Infrastructuurplan Noordzee (WIN), bieden een casestudy van hoe veranderende doelstellingen, ruimtelijke ordening en veronderstelde prestaties niet meer aansluiten bij fysieke beperkingen.”

Veel te optimistisch over opbrengsten

“In het Nederlandse geval zijn de nationale planningsaannames voor offshore windenergie verschoven van een capaciteitsfactor van 51,5% (zoals in het Noordzeeprogramma 2022-2027) naar het nieuwste regeringsplan, dat mikt op nog hogere capaciteitsfactoren – variërend van 51% tot 56%.” De capaciteitsfactor, CF, is kort gezegd het percentage energie dat het windpark gemiddeld levert ten opzichte van het piekvermogen. De onderzoekers komen zelf voor de Nederlandse Noordzeeparken op een realistische CF van 34,6 procent!

“De scenario’s zijn niet alleen intern inconsistent, maar wijken ook af van de waargenomen trends in operationele windparken. Het WIN-plan erkent zelf in zijn technische bijlage dat dergelijke hoge capaciteitsfactoren optimistisch kunnen zijn. Slechts één scenariovariant modelleert een lagere capaciteitsfactor van 42%, maar bestempelt dit als ‘pessimistisch’. De gelijktijdige aanname van zowel hogere dichtheden (van het park, pb) als stijgende capaciteitsfactoren is fysiek niet aannemelijk, aangezien een hogere capaciteitsdichtheid aerodynamisch gezien gepaard gaat met een lagere, en niet een hogere, gemiddelde capaciteitsfactor. Het resultaat is een beleidstraject dat, zonder aanpassingen, het risico met zich meebrengt dat de potentiële energieopbrengsten aanzienlijk worden overschat, de integratiekosten worden onderschat en de ruimtelijke planning niet aansluit bij de haalbare doelstellingen.” 

Geloofwaardigheid

“Dit risico wordt vooral acuut bij het kwantificeren van de werkelijke kloof die ontstaat als de CF’s van offshore windenergie worden overschat. Het WIN-plan gaat er bijvoorbeeld van uit dat offshore windenergie in 2040 ongeveer 60% van alle CO2-vrije elektriciteit in Nederland zal leveren, op basis van capaciteitsfactoren van 53% (gemiddeld). Als de gemiddelde capaciteitsfactor van het systeem echter dichter bij 34,6% blijkt te liggen – zoals voorspeld door ons theoretische model en ondersteund door wereldwijde operationele trends – dan zal in 2040 meer dan 20% van de geplande CO2-vrije elektriciteitsvoorziening van Nederland ontbreken, als gevolg van het tekort aan offshore windenergie alleen. Om dit in perspectief te plaatsen: dit verlies komt overeen met de totale verwachte productie van fotovoltaïsche zonne-energie in het WIN-plan, bijna twee keer de verwachte bijdrage van windenergie op land en bijna drie keer de verwachte productie van kernenergie in 2040. Een dergelijke discrepantie zou de haalbaarheid en geloofwaardigheid van het Nederlandse decarbonisatiepad fundamenteel in gevaar brengen.”

Men besluit: “Toen we meer dan twee jaar geleden met dit werk begonnen, waren de Nederlandse doelstellingen al te optimistisch; sindsdien zijn de beleidsaannames alleen maar verder afgedreven van de fysieke realiteit, waardoor het risico van te hoge verwachtingen en tegenvallende resultaten is toegenomen.”

Meer lezen over dit onderwerp?

Voor Wynia’s Week schreef Arnout Jaspers het artikel “Rob Jettens windparken op de Noordzee zijn koploper luchtfietserij in West-Europa” over dit onderwerp, dat op 6 december 2025 werd gepubliceerd.

DEEL DIT ARTIKEL:

Climate Intelligence Clintel

meer nieuws

Voormalige Tsjechische President Václav Klaus benoemd tot president van Clintel

Voormalige Tsjechische President Václav Klaus benoemd tot president van Clintel De Climate Intelligence Group (Clintel) is zeer vereerd dat professor Václav Klaus, de voormalige president van Tsjechië, vanaf vandaag de nieuwe president van Clintel zal zijn, als opvolger van de huidige president, professor Guus Berkhout, die in 2019 samen met de Nederlandse […]

2025-12-08T07:21:03+01:004 december 2025|Categories: Nieuws|Tags: |

Tijd om te stoppen met doen alsof hernieuwbare energie goedkoop is

Dit artikel van Tilak Doshi stelt de algemeen heersende aanname aan de kaak als zouden wind- en zonne-energie door hun aard ‘goedkoop’ zijn. Hij stelt dat als de volledige kosten van de levenscyclus, materiaalbeslag en intermittentie van deze energievormen in de beschouwing worden meegenomen, hernieuwbare energie wel eens veel duurder kan blijken dan vaak wordt beweerd.

2025-12-11T10:36:26+01:0010 december 2025|Categories: Nieuws|Tags: , , , |

The post Snoeihard oordeel TU Delft over Nederlands windturbine-optimisme appeared first on Clintel.

Posted in Column | Leave a comment

Tijd om te stoppen met doen alsof hernieuwbare energie goedkoop is

Tijd om te stoppen met doen alsof hernieuwbare energie goedkoop is

Dit artikel van Tilak Doshi stelt de algemeen heersende aanname aan de kaak als zouden wind- en zonne-energie door hun aard ‘goedkoop’ zijn. Hij stelt dat als de volledige kosten van de levenscyclus, materiaalbeslag en intermittentie van deze energievormen in de beschouwing worden meegenomen, hernieuwbare energie wel eens veel duurder kan blijken dan vaak wordt beweerd.

Gemaakt door Thiago Hellinger voor de CO2 Coalition

Tilak Doshi
Datum: 10 december 2025

DEEL:

In de kakofonie van al diegenen die roepen om een haastige ‘energietransitie’, weg van de fossiele brandstoffen, worden verschillende clichés standaard gebruikt door de gelovigen van de Kerk van het Klimaat. In de afgelopen decennia zijn deze clichés als wapen gebruikt om leken ertoe te brengen alle macht over te dragen aan klimaatbureaucraten om ‘de planeet te redden’. Eén cliché waar de massamedia en de geschriften van ‘klimaatexperts’ zoals Michael Mann en Bill McKibben van doordesemd zijn, is ‘goedkope’ zonne- en windenergie. Dit ondanks het feit dat degenen die de wetten van natuurkunde en economie begrijpen en respecteren, het magische denken over de ‘nieuwe’ energie-economie allang hebben ontmaskerd.

Een ander cliché dat onder groene ideologen aan populariteit heeft gewonnen, is de ‘primaire energie-drogredenering.’ De commentaren op social media zijn doorspekt met verwijzingen naar deze drogreden. Ze worden vaak naar voren gehaald om te laten zien dat fossiele brandstoffen niet ‘één-op-één’ hoeven te worden vervangen door ‘efficiënte’ hernieuwbare energie. Deze idee, verspreid door voorstanders van wind- en zonne-energie zoals Dr. Jan Rosenow, Senior Research Associate aan de universiteiten van Oxford en Cambridge, gaat ervan uit dat traditionele maatstaven voor het primaire energieverbruik — het meten van de ruwe energie zoals deze uit de natuur wordt opgevangen vóór omzetting — systematisch de bijdragen van hernieuwbare energie onderschatten.

Waarom? Doordat, zo zeggen ze, fossiele brandstoffen zoals steenkool en gas tijdens de elektriciteitsopwekking veel van hun energie verliezen in de vorm van afvalwarmte, terwijl windturbines en zonnepanelen elektriciteit leveren met vrijwel volkomen efficiency. Zo luidt de stelling dat het vergelijken van energiebronnen op basis van primaire energie, ‘efficiënte’ koolstofarme technologieën straft en de rol van ‘inefficiënte’ fossiele brandstoffen belangrijker maakt. Het is een slimme retorische truc die onbetrouwbare, intermitterende hernieuwbare energie afschildert als de miskende held van de decarbonisatie.

Een drogreden die geen drogreden is

Maar, kijk net even onder de oppervlakte en deze ‘drogreden’ blijkt niet meer dan een goocheltruc, een handig verhaaltje om dure en onbetrouwbare energiebronnen te promoten ten koste van elke economische rationaliteit. Op grond van scherpe analyses van voorstanders van energiegeletterdheid zoals Lars Schernikau en Ronald Stein, is het duidelijk dat de echte verstoring zit in het negeren van de volledige systeemkosten en ondoelmatigheden van wind en zon, en in het negeren van de meervoudige toepassingen van olie en gas als grondstof voor ontelbare producten.

Verre van een vooruitstrevend inzicht te zijn, dient de kritiek van de ‘primaire energiedrogredenering’ ertoe een harde werkelijkheid te verdoezelen: de werkelijkheid dat de drang naar hernieuwbare energie wordt geplaagd door wisselvalligheid, het feit dat ze zeer grondstofintensief is en ook onderhevig is aan stijgende kosten. In een tijd waarin energiezekerheid en betaalbaarheid van het grootste belang zijn — vooral voor ontwikkelingslanden in Azië, Afrika en Latijns-Amerika — dreigt deze misleiding enorme financiële kosten te veroorzaken voor samenlevingen die toch al onder fiscale en handelstekorten zuchten.

Instellingen als het International Energy Agency (IEA) en BP definiëren in hun jaarlijkse statistische overzichten, primaire energie als de onverwerkte energie uit bronnen zoals steenkool, olie, gas, uranium, wind en zonlicht. Dit heeft dus betrekking op het totale energiegehalte van natuurlijke hulpbronnen, voordat enig conversieproces heeft plaatsgevonden. Als deze hulpbronnen worden omgezet in elektriciteit, werken thermische bronnen zoals kolengestookte centrales met een efficiëncy van ongeveer 35-40% en aardgasturbines van het type gecombineerde-cyclus kunnen tot 60% bereiken. De rest verdwijnt als warmte.

Daarentegen zetten wind en zon hun ‘primaire’ inputs — kinetische windenergie of zonnestraling — direct om in elektriciteit met minimale thermische verliezen; in boekhoudkundige termen is dat bijna 100%. Een eenvoudig voorbeeld illustreert dit punt: 100 eenheden primaire energie van aardgas leveren mogelijk slechts 40 tot 60 eenheden elektriciteit, terwijl 100 eenheden van wind dezelfde 100 eenheden als bruikbare stroom leveren. Op primaire energiegrafieken lijkt aardgas meer bij te dragen, waardoor hernieuwbare energie marginaal lijkt.

Het verdient overigens wel opmerking dat deze “conversie” met minimale thermische verliezen volledig een product is van de boekhoudkundige normen en regels die worden gehanteerd door instanties zoals het IEA en het Energy Institute (dat in 2023 is begonnen met het samenstellen van BP’s Statistical Review of World Energy). De werkelijke efficiency cijfers van de omzetting van natuurlijke input (kinetische windenergie of zonnestraling) in elektriciteit liggen ver onder de 100%, met theoretische maxima van ongeveer 59% voor wind (wet van Betz) en ongeveer 24-33% voor fotovoltaïsche zonne-cellen (Shockley-Queisser-limiet). Zo gaat de IEA-boekhouding heel gemakkelijk voorbij aan de natuurkundig noodzakelijke verliezen die plaatsvinden bij wind en zon en waarbij grote delen van de primaire energie-input niet worden opgevangen — een verlies dat gemakkelijk wordt genegeerd in vergelijkingsstaten die warmteverliezen bij fossiele brandstoffen straffen.

Toch is deze vergelijking kortzichtig, want ze is beperkt tot de elektriciteitssector, die niet meer dan ongeveer 20% van het totale wereldwijde energieverbruik uitmaakt. Het grootste deel van het energieverbruik — ongeveer 80% — vindt plaats in niet-elektrische vormen: industriële warmte voor staalproductie en cementproductie, gas voor koken en verwarming in huis, petroleum voor transport en petrochemicaliën voor alles van meststoffen tot kunststoffen. Hier leveren fossiele brandstoffen vaak energiediensten met een veel hogere efficiëncy dan het pro-hernieuwbare-energienarratief toelaat. Directe verbranding van aardgas voor verwarming bereikt bijvoorbeeld een efficiëncy van 80-90%. Hierbij vergeleken zijn de verliezen bij elektriciteitsopwekking veel groter.

Hernieuwbare energie wekt, door haar aard, alleen elektriciteit op – en ook nog eens op wisselvallige wijze – waardoor grote delen van de energie-economie onaangeroerd blijven, als je ze niet met zware, inefficiënte ‘alles elektrificeren’-inspanningen combineert. Zoals Dr. Schernikau treffend opmerkt in zijn geschriften, blijft primaire energie ‘koning’ omdat ze mede alle inzet omvat van energiegrondstoffen, die nodig zijn over het hele energiesysteem, niet alleen dat kleine deel van netstroom.

Andere toepassingen van fossiel

De onmisbare rol van fossiele brandstoffen gaat veel verder dan de energievoorziening, vereist voor de moderne beschaving. Zoals Ronald Stein benadrukt in zijn werk, zijn boek Clean Energy Exploitations, zijn olie en gas de basisgrondstoffen voor meer dan 6.000 producten die van essentieel belang zijn voor de menselijke vooruitgang, van plastic en cosmetica tot farmaceutica en ammoniak voor kunstmest.

Deze materialen kunnen niet worden vervangen door zogenaamde hernieuwbare bronnen zoals wind en zon. Die genereren alleen elektronen en bieden geen enkele ook maar enigszins zinvolle mogelijkheid om alle complexe koolwaterstoffen te samen te stellen, die wezenlijk zijn voor van alles, van medische apparaten en elektronica tot landbouwproducten waarmee miljarden worden gevoed. Met zijn pleitbezorging voor energiegeletterdheid benadrukt Stein hoe de ijver om te decarboniseren volledig aan deze realiteit voorbijgaat: zonder fossiele ammoniak zou de wereldwijde voedselproductie ineenstorten, wat de honger in ontwikkelingslanden, waarvan de bevolking toch al onder druk staat, verergert.

Petrochemicaliën afkomstig van ruwe olie maken de steriele verpakking van vaccins mogelijk, de duurzame materialen voor windturbinebladen (ironisch genoeg) en de synthetische vezels in kleding. Proberen ‘alles te elektrificeren’ gaat eraan voorbij dat voor deze producten moleculaire bouwstenen uit fossiele bronnen benodigd zijn, niet alleen elektriciteit, zodat de overgang niet alleen kostbaar maar principieel onmogelijk is zonder alternatieven, die niet op grote schaal bestaan. Deze afhankelijkheid onderstreept ook waarom het meten van primaire energie essentieel is — ze laat de totale grondstofbasis zien die niet alleen geldt voor elektriciteitsopwekking, maar ook voor de talloze goederen die de levenskwaliteit bepalen.

De efficiëncy-snoeverij van de liefhebbers van hernieuwbare energie brokkelt verder af als we mede in aanmerking nemen de wisselvallighed van wind- en zonne-energie — bronnen die elektriciteit alleen opwekken als de natuur meewerkt, meestal met capaciteitsfactoren van 15-40% voor wind en 10-25% voor zonne-energie, vergeleken met 80-90% voor kolen of kernenergie die de basisbehoefte aan energie dekken. Voor deze variabiliteit is een ‘overschot’-infrastructuur nodig van inzetbare elektriciteitsback-upcentrales, grotendeels draaiend op fossiele brandstoffen, om de hiaten op te vullen. Het komt allemaal neer op twee keer betalen voor één ding.

De werkelijke kosten van ‘goedkope’ hernieuwbare energie

In Duitsland, het boegbeeld van de Energiewende (energietransitie), vormen wind en zon nu meer dan 50% van de geïnstalleerde capaciteit, maar het land heeft kolen- en gascentrales als reserve moeten aanhouden en zelfs moeten uitbreiden. Deze back-ups werken met lage benuttingsniveaus, doordat ze de brandstof inefficiënt verbranden en daardoor het primaire energieverbruik verhogen. Batterijopslag op grootschalige schaal, vaak geprezen als dé oplossing voor wisselvalligheid, blijft onoverkomelijk kostbaar en grondstofintensief. Zelfs Tesla’s Megapacks kunnen maar enkele minuten of uren back-up bieden voor grootschalige nutsbehoeften; opschalen naar dagen of weken in periodes van Dunkelflaute zou astronomische investeringen vergen in zeldzame aardmetalen en mineralen, waarvan veel onder controle van China staat. Duitsland en andere energie-zelfmoordlanden zoals het Verenigd Koninkrijk behoren nu tot de landen met de hoogste elektriciteitsprijzen ter wereld.

Schernikau’s systeemanalyse laat de kern van de misleidingzien: hoewel individuele windturbines en zonnepanelen efficiënt lijken, wordt precies dat voordeel door hun invoeging in een betrouwbaar net ondermijnt. Om te kunnen komen tot inzetbare elektriciteit — elektriciteit 24/7/365 beschikbaar en met stabiele spanning, frequentie en fase — is een overaanleg nodig van hernieuwbare bronnen (windmolens en zonnepanelen) met een factor drie tot vijf of meer, plus nog aanvullende systemen, zoals batterijen voor de korte duur en verbeterde transmissielijnen.

Deze toevoegingen vergen enorme hoeveelheden primaire energie door de mijnbouw en de productie; vaak niet meegenomen in standaardstatistieken. Zo vereist het opwekken van één TWh levenslange elektriciteit uit zonne-energie 340-560 kiloton staal plus koper en zeldzame aardmetalen, vergeleken met slechts één tot twee kiloton staal voor steenkool of gas. Windenergie doet het niet veel beter en vergt 30-50 kiloton staal en drie tot zes kiloton koper per TWh. De winning van deze materialen is energie-intensief, wordt voornamelijk verricht met vrachtwagens en mijnbouwapparatuur, die worden aangedreven door fossiele brandstoffen. Daarmee worden verborgen primaire energiekosten ingebouwd die de IEA met haar ‘gedeeltelijke substitutiemethode’ gemakshalve achterwege laat door uit te gaan van bijna 100% efficiëntie voor hernieuwbare energie.

Enkele materialen die nodig zijn voor elektriciteitsopwekkingstechnologie.
Bron: Schernikau gebaseerd op Department of Energy, VS. Zie ook hier.

Dit brengt ons bij het energierendement op investering (eROI), een maatstaf de hoeveelheid bruikbare energie wordt gemeten die een bepaalde bron levert ten opzichte van de energie die wordt geïnvesteerd in de winning, verwerking en inzet. Op systeemniveau gezien, daalt de eROI van wind en zon naar 5 à 10 tegen 1 voor zonne-energie en 10 à 20 tegen 1 voor windenergie (nog lager met batterijopslag), tegenover 25 à 30 tegen 1 voor kolen en gas en meer dan 75 tegen 1 voor kernenergie. Schernikau benadrukt dat de korte operationele levensduur van hernieuwbare energie — 10-20 jaar voor windenergie, 12-15 jaar voor zonne-energie — betekent dat ze twee tot vier keer moeten worden vervangen gedurende een levenscyclus van 40-60 jaar die voor fossiele installaties geldt, wat bergen afval en verder verbruik van primaire energie veroorzaakt. Wereldwijd wordt dit door primaire energiestatistieken onderschat; volgens IEA-gegevens van 2024 leverde de 4.655 TWh aan primaire energie van wind en zon 4.623 TWh aan elektriciteit op; dit is echter exclusief de energie voor overaanleg en back-ups.

De analyse van de het Internationaal EnergieAgentschap, de grote fan van hernieuwbare energie laat buiten beschouwing dat naarmate de penetratie van hernieuwbare energie als percentage van de totale netopwekking toeneemt, de marginale waarde van elke extra hernieuwbare kWh afneemt. Dit leidt tot hogere systeemkosten en, tegen de intuïtie in, mogelijk zelfs tot een groter primair energieverbruik in het algemeen.

Critici van primaire energiemaatstaven erkennen de efficiëncy winst die eindgebruikstechnologieën hebben, zoals elektrische voertuigen (EV’s), die drie tot vier keer efficiënter zijn dan verbrandingsmotoren. Maar ook waarschuwen zij voor overoptimistisch beleid en merken op dat elektrificatie de vraag naar grondstoffen verhoogt: EV’s vereisen zes keer meer zeldzame mineralen dan conventionele auto’s, en het opschalen van hernieuwbare energie voor een volledig elektrische wereld zou in totaal 12 tot 16 keer meer mineralen vereisen, plus meer dan 100 keer meer land.

Landgebruik is geen triviale zaak: zonneparken met 5-7 MW per km² en wind met 1-2 MW per km² worden zich over uitgestrekte gebieden verbreid. Dit roept weerstand op in landelijke gemeenschappen in de VS, Europa en het VK. In de VS heeft Robert Bryce met zijn werk aan een database voor afwijzing van hernieuwbare energie dit fenomeen nauwkeurig gevolgd. De schade aan ecosystemen en flora en fauna, veroorzaakt door wind- en zonneparken heeft  wereldwijd tot tegenstand geleid van plattelandsgemeenschappen en natuurbeschermers. Het moet echter worden opgemerkt dat zonne- en windenergiebedrijven met hun bedrijfsmodellen gericht op subsidies oogsten en gegarandeerde winsten behalen, vaak boeren kunnen uitkopen.

Het vernietigen van de habitat in gebieden die zijn gereserveerd voor zonne- en windparken – wat traditionele leefstijlen verstoort, de waarden van vastgoed schaadt, vitale landbouwgrond kapotmaakt, landschappen verpest en vogels, vleermuizen en ander wild doodt – is door de jaren heen voor landelijke gemeenschappen over de hele wereld uitgebreid beschreven. We houden hiermee nog geen rekening met de kwetsbaarheden in de toeleveringsketen van hernieuwbare energiesystemen en geopolitieke risico’s — China domineert 80% van de verwerking van zeldzame aardmetalen en domineert ook de wereldwijde productie van wind- en zonne-energiecomponenten.

De ‘volledige kosten van elektriciteit’ (FCOE), waarin kosten van wisselvalligheid en netwerkintegratie zijn meegenomen, tonen aan dat hernieuwbare energie veel duurder is dan de misleidende ‘gelevelde kosten van elektriciteit’ (LCOE) doen vermoeden. In Europa zijn de elektriciteitsprijzen voor huishoudens sinds het begin van de jaren 2000 verdubbeld, grotendeels als gevolg van subsidies voor hernieuwbare energie en uitbreidingen van het net. De Duitse Energiewende heeft meer dan €500 miljard gekost, maar de uitstootverlaging stagneert doordat steenkool aanwezig blijft ten behoeve van de betrouwbaarheid. Ontwikkelingslanden, waar de energievraag enorm is, kunnen zich dergelijke experimenten niet veroorloven; de Aziatische kolenmachine, de grootste ter wereld, blijft snel uitbreiden omdat deze betaalbare, inzetbare stroom levert.

Welke primaire energie-drogreden?

In feite is de ‘primaire energie-drogreden’ op zichzelf al een drogreden, om de aandacht af te leiden van de impopulaire waarheden van de energiefysica en de economische wetenschap. Door zich helemaal gericht te houden op beperkte efficiëncy winsten, gaan ideologen er volledig aan voorbij hoe wind en zon, op grote schaal toegepast, de mensheid terugbrengen naar systemen met lage netto-energie, die doen denken aan pre-industriële tijdperken. Allesbehalve verouderd te zijn belicht het meten van de primaire energie de totale input die nodig is voor industriële samenlevingen die welvaart willen bieden aan de overgrote meerderheid van de mensen in het mondiale Zuiden. Totdat doorbraken in opslag de wisselvallige energiebronnen levensvatbaar maken zonder verplichtingen en enorme subsidies, blijven fossiele brandstoffen — en ja, zelfs ”mooie, schone steenkool” met vervuilingsbeperkende filters en apparatuur — onmisbaar.

Decennia van waan en fanatisme over door mensen veroorzaakte klimaatcrises, voorspeld door pseudo-wetenschappelijke modellen, botsten met de realiteit aan het einde van de chaotische klimaatjamboree van de VN dit jaar in Belém, Brazilië. Het afsluitende wereldwijde uitkomstdocument van COP30 – dat niet werd bijgewoond door de leiders van de landen met de grootste uitstoot van broeikasgassen van de wereld, China, de VS en India – had elke toespeling op het uitbannen van fossiele brandstoffen achterwege gelaten. Dit weerhield VN-bureaucraten er echter niet van om tegen de leden te zeggen dat ze hun uitgaven aan de ‘klimaatcrisis’ in het komende decennium moesten verdrievoudigen.

Beleidsmakers zouden er goed aan doen naar energie-experts als Schernikau en Stein te luisteren. Het najagen van luxe meningen kost welgestelde klimaatbureaucraten en ideologen van hernieuwbare energie weinig, maar de lasten van irrationeel energiebeleid zullen worden gedragen door de armsten van de wereld. De echte weg vooruit ligt in pragmatische, technologie-neutrale benaderingen die energie-overvloed boven bezuinigingen stellen.

Dit artikel is voor het eerst gepubliceerd in de Daily Sceptic en werd in het Nederlands vertaald door Bart Raydt.

Dr. Tilak K. Doshi

Dr. Tilak K. Doshi is energie-redacteur van de Daily Sceptic. Hij is econoom, lid van de CO2 Coalition en voormalig bijdrager aan Forbes. Volg hem op Substack en X.

DEEL DIT ARTIKEL:

Climate Intelligence Clintel

meer nieuws

Voormalige Tsjechische President Václav Klaus benoemd tot president van Clintel

Voormalige Tsjechische President Václav Klaus benoemd tot president van Clintel De Climate Intelligence Group (Clintel) is zeer vereerd dat professor Václav Klaus, de voormalige president van Tsjechië, vanaf vandaag de nieuwe president van Clintel zal zijn, als opvolger van de huidige president, professor Guus Berkhout, die in 2019 samen met de Nederlandse […]

2025-12-08T07:21:03+01:004 december 2025|Categories: Nieuws|Tags: |

Tijd om te stoppen met doen alsof hernieuwbare energie goedkoop is

Dit artikel van Tilak Doshi stelt de algemeen heersende aanname aan de kaak als zouden wind- en zonne-energie door hun aard ‘goedkoop’ zijn. Hij stelt dat als de volledige kosten van de levenscyclus, materiaalbeslag en intermittentie van deze energievormen in de beschouwing worden meegenomen, hernieuwbare energie wel eens veel duurder kan blijken dan vaak wordt beweerd.

2025-12-11T10:36:26+01:0010 december 2025|Categories: Nieuws|Tags: , , , |

The post Tijd om te stoppen met doen alsof hernieuwbare energie goedkoop is appeared first on Clintel.

Posted in Column | Leave a comment

CO2 is niet de boosdoener; net-zero is onzin

COis niet de boosdoener; net-zero is onzin

Broeikasgas-emissies dragen slechts in geringe mate bij aan de opwarming van de aarde; een schonere lucht met minder aerosolen en wolken des te meer. De voorgenomen energietransitie van vraag- naar aanbod-gestuurd is onzinnig en schadelijk, stelt hydroloog Henk Ogink.

Grok

Ir. Henk Ogink c.i.
Datum: 9 december 2025

DEEL:

Volgens het IPCC, politici en de mainstream media hebben we te maken met een klimaatcrisis, die wordt veroorzaakt door antropogene emissies van broeikasgassen (GHG) en dan vooral van CO2. Een omvangrijke en zeer kostbare transitie van vraag-gestuurde productie van (elektrische) energie uit steenkool, olie en gas naar aanbod-gestuurde productie uit zonne- en windenergie met groene waterstof, is in uitvoering om de GHG-uitstoot vóór 2050 drastisch terug te brengen.

In het volgende wordt aannemelijk gemaakt dat deze transitie is gebaseerd op onjuiste aannames. Ter onderbouwing van dat laatste is een analyse gemaakt van de meteorologische dag- en uurgegevens van het KNMI-hoofdstation De Bilt over de periode 1958-2022; startjaar 1958 is het eerste volledige kalenderjaar met globale stralingsmetingen ter plaatse en metingen van de CO2-concentratie op Mauna Loa (Hawaï), terwijl met het eindjaar 2022 de effecten van de vulkaanuitbarsting in de Tonga-archipel begin 2022 (Hunga Tonga) en de El Niño van 2023 worden vermeden. De analyses zijn gebaseerd op fysisch gefundeerde en uitvoerig geteste empirische relaties en detectietechnieken die gangbaar zijn in de hydrologie. Voor een uitvoerige beschrijving van de gehanteerde relaties en methoden wordt verwezen naar (1) en (2). Het volgende is een samenvatting.

Temperatuur

De jaargemiddelde-temperatuur in De Bilt van 1958 t/m 2022 is weergegeven in figuur 1. Het verloop laat zien dat de temperatuur tot 1988 geen trend vertoont, maar daarna t/m 2022 is gestegen met 1,8-1,9 oC door veranderingen in de herkomst van luchtmassa’s en positieve ENSO-indexen (El Niño’s). De grootste sprong is opgetreden in de winter/lente-periode van 1988. Deze is vooral veroorzaakt door een plotselinge omkering van de Arctische en Noord-Atlantische Oscillatie indexen (AO/NAO) van negatief naar positief (figuur 2); een positieve index duidt op bovengemiddeld hoge luchtdruk in het zuiden en lage luchtdruk in het noorden van de Noord-Atlantische Oceaan, wat, onder invloed van de aardrotatie, een zuidwestelijke  luchtstroom genereert. Hierdoor worden rond de winterperiode zachte oceanische luchtmassa’s aangevoerd. Gewoonlijk wordt de stijging van het temperatuursverloop benaderd door een (lineaire) trend met verwijzing naar de toename van de CO2-concentratie, maar op basis van de oorzaken van de stijging (El Niño’s en veranderingen in de AO/NAO-index) is de ontwikkeling stapsgewijs geweest. Dat wordt bevestigd door analyse van gesommeerde afwijkingen van het gemiddelde1.

Figuur 1: Jaargemiddelde-temperatuur De Bilt 1958-2022

Figuur 2: Gesommeerde AO/NAO-index vanaf 1958

Uit figuur 2 valt ook af te leiden dat 1988 een gamechanger is geweest met een toename van de aanvoer van oceanische lucht (3) vanaf dat jaar. De temperatuursprongen bij de ENSO-stappen in de laatste decennia, duiden op een opwarming van de oceanen, omdat de ENSO zonder opwarming in beginsel klimaatneutraal is. Deze opwarming kan verklaard worden uit een wereldwijde toename van de globale straling, die ook duidelijk in metingen van De Bilt is te zien. 

Globale straling

De globale stralingsflux betreft de kortgolvige straling van de zon (golflengte 0,3-3 μm), zowel direct als diffuus. Deze flux is in De Bilt in de periode 1958-2022 op jaarbasis (figuur 3) sinds de eeuwwisseling met ongeveer 18 W/m2 gestegen, terwijl op maandbasis de toename in de maanden april t/m juli zelfs meer dan 30 W/m2 was. In de atmosfeer wordt zonlicht bij onbewolkte lucht geabsorbeerd en verstrooid door aerosolen en waterdamp; dit neemt bij bewolkte lucht verder af met de bewolkingsgraad. Satellietwaarnemingen laten zien dat de bewolkingsgraad sinds het midden van de jaren negentig is afgenomen; dit wordt bevestigd door een gestage toename van de relatieve zonneschijnduur. Analyse van wolkeloze dagen(1), (2) toont aan dat de aerosolen-concentratie voor De Bilt zodanig is afgenomen (zie ook figuur 4) dat dit ongeveer de helft van de verhoging van de stralingsflux in de lente- en zomermaanden kan verklaren. Minder aerosolen betekent geringere wolkenvorming en een verdere toename van de globale stralingsflux.

Figuur 3: Jaarlijkse globale stralingsflux (W/m2),
De Bilt, periode 1958-2022

Figuur 4: Afname luchtvervuiling in Europa
1990-2021 (bron: Gbangou and Colette, 2023)

Doordat globale straling (in tegenstelling tot langgolvige straling) de oceanen tot ongeveer 200 meter diepte kan binnendringen, worden deze opgewarmd; dit betreft warmte die via convectie weer gedeeltelijk wordt afgegeven aan de lucht erboven. Deze opwarming (samen met een vanaf 1998 versterkt toegenomen verzadigingstekort), leidt er ook toe dat de hoogte van het condensatieniveau LCL (= Lifting Condensation Level), nodig voor wolkenvorming, toeneemt. Dit terwijl de aerosolen-concentratie, vooral boven de oceanen, met de hoogte afneemt (zee-spray). De afname van de bewolkingsgraad wordt daarmee dus een doorgaand proces, en zo ook de opwarming van de troposfeer!

Langgolvige stralingsflux en CO2-forcering

De langgolvige stralingsfluxen van het aardoppervlak (uitgaande en inkomende atmosferische tegenstraling), komen niet voor in de data van De Bilt en zijn daarom berekend met de stralingswetten van Stefan-Boltzmann, gecorrigeerd voor waterdamp en bewolking. De netto langgolvige stralingsflux is de laatste drie decennia met ongeveer 6 W/m2 toegenomen, maar met een aanzienlijke onzekerheidsmarge (het verschil van twee bijna even grote, niet gemeten maar berekende stralingsfluxen).

De CO2-forcering in W/m2 verloopt evenredig met de logaritme van de concentratie-verhouding. Het IPCC hanteert hiervoor bij TOA (de top van de atmosfeer) voor een verdubbeling van CO2 de waarden van Myhre e.a. (4), respectievelijk 5,0 en 3,7 W/m2 voor onbewolkte en bewolkte lucht. Deze resultaten zijn gebaseerd op modelresultaten van pre-industriële condities tot die van midden jaren negentig. Echter, Van Wijngaarden en Happer (2019/2022)(5) vinden op basis van stralingsfysica voor een recente wolkenvrije atmosfeer een forcering die ~40% lager ligt (3,0 W/m2 met een temperatuureffect van 0,8 oC). De modelresultaten van Chen e.a.(6), gebaseerd op atmosferische omstandigheden van de laatste twee decennia, bevestigen dit. Deze studie geeft voorts de forceringen voor een verdubbeling van CO2, aan het oppervlak (SFC). De evenredigheids-coëfficiënten uit voorgaande studieresultaten, toegepast op de periode 1958-2022, geven de in figuur 5 gepresenteerde forceringen aan TOA en SFC. Deze worden vergeleken met de toename van de globale straling in die periode. De laatste is een orde groter dan de forceringen! Broeikasgas-emissies dragen dus slechts in geringe mate bij aan de opwarming; een schonere lucht met minder aerosolen en wolken des te meer.

Figuur 5: Toename globale stralingsflux
en CO2-forcering in De Bilt, 1958-2022

Figuur 6: Jaargemiddelde-temperatuur in De
Bilt, 1958-2022, met en zonder CO2-forcering 

De belangrijkste absorptieband van CO2 ligt rond de 15 μm, en zorgt bij toenemende concentratie aan het oppervlak voor een vergroting van de atmosferische tegenstraling. Met de FAO/ASCE-methode voor de bepaling van atmosferische tegenstraling met bewolkingscorrecties volgens Shuttleworth en Unsworth-Monteith(1) en de waargenomen relaties tussen de temperatuur, dampspanningen en relatieve zonneschijn-duur, is het effect van de forcering volgens Chen uit figuur 5 vertaald naar de impact op de jaargemiddelde-temperatuur. Afhankelijk van de bewolkingscorrectie wordt tot 2023 een stijging van 0,20-0,22 oC gevonden (figuur 6); d.w.z. een magere 11-12% van de waargenomen stijging in De Bilt.

Daarnaast: CO2 is onontbeerlijk

Alle onderzoeken laten zien dat CO2 onontbeerlijk is voor leven op aarde. Een toename van de CO2-concentratie verhoogt de biomassa-productie van planten (figuur 7) en leidt ook tot een efficiënter waterverbruik, vooral bij C3-planten (7).

Figuur 7 Effect van 2xCO2 op toename van de biomassa bij C3, C4 en CAM planten
(bron: database Poorter en Navas(7))

Het verlaagt evenwel de voedingswaarde enigszins, wat overigens eenvoudig kan worden verholpen door toepassing van de juiste bemesting. De demonisering van het gas CO2 en haar emissiebelasting is onjuist, gezien de geringe bijdrage aan de opwarming van de aarde en de grote waarde voor de voedselvoorziening en vergroening van de aarde.

Transitie naar zon, wind en waterstof

Een grote uitbreiding van wind- en zonneparken is nodig om de politieke doelstellingen van net-zero CO2-emissie in 2050 te realiseren. Hiermee zijn grote hoeveelheden grond gemoeid en wordt het landschap geruïneerd met grote impact op de leefomgeving voor mens en dier. De uitbreiding genereert bovendien een steeds grotere, voorlopig niet te recyclen, berg afval: lang leve de vooruitgang?? Wind en zon zijn variabel en generen een aanbod-gestuurd energiesysteem, zonder traagheid, dat moeilijk is in te passen in een betrouwbaar netwerk. Energie-opslag is nodig om de gaten te vullen wanneer zon en wind het laten afweten. De groene waterstof die men hiervoor wil inzetten, naast batterijcomplexen, heeft een laag rendement (COP ≤ 0.3), is zeer volatiel en ontvlambaar en distributie via het bestaande aardgasnet vereist mogelijk kostbare aanpassingen. We moeten terug naar vraag-gestuurde energieproductie, inclusief kernenergie!! 

Samenvattend

Deze analyse laat zien dat de huidige energietransitie-maatregelen niet deugen, en gebaseerd zijn op onjuiste aannames. CO2 is essentieel voor leven op aarde en de GHG-emissies dragen slechts in geringe mate bij aan de opwarming; een schonere lucht met minder aerosolen en wolken des te meer.

Regeren is vooruitzien, maar dat geschiedt nu met oogkleppen op, met dank aan het IPCC, een Tweede Kamer (met een enkele uitzondering) vol alfa’s en MSM-papegaaien. Arm land.

Literatuur

  1. Ogink H.J.M. Climate change and mitigation measures, A critical analysis based on meteorological of De Bilt and energy transition in The Netherlands. Oct 2025
  2. Ogink H.J.M. Klimaatverandering en mitigatie, een kritische analyse gebaseerd op meteorologische data van De Bilt en energietransitie in Nederland. nov, 2025
  3. Hoogeveen, J. en H. Winds are changing: An explanation for the warming of the Netherlands. Int J. Clim. 17/6/2022
  4. Myhre, G., E.J. Highwood, K.P. Shine, F. Stordal. New estimates of radiative forcing due to well mixed greenhouse gases. GRL, Vol. 25, No. 14, Pages 2715-2718, July 15, 1998.
  5. Wijngaarden, W.A. van, W. Happer, 2019. Infrared Forcing by Greenhouse Gases. Dept. Physics and Astronomy, York University, Canada
  6. Chen Y-T, Y. Huang and T.M. Merlis, 2023. The Global Patterns of Instantaneous CO2 Forcing at the Top of the Atmosphere and the Surface. J of Climate, Volume 36, AMS.
  7. Poorter, H. and M-L Navas, 2003. Plant growth and competition at elevated CO2: on winners, losers and functional groups. New Phytgist.

Over de auteur

Henk J.M. Ogink, Heino (1947). Opleiding: HBS-B, Zwolle, TU Delft, afgestudeerd (met lof) in de civiele techniek in 1970 en aanvullende studies hydrologie en waterhuishouding in VITUKI Budapest, Imperial College Londen en Colorado State University, Fort Collins USA. Vanaf 1970 tot heden werkzaam geweest als specialist/team leider en adviseur in hydrologische, hydraulische hoogwaterbescherming en watermanagement-projecten in 45 landen in Europa, Amerika, Afrika, Azië en Australië. Heeft brede ervaring in ontwikkeling en toepassing van hydrologische en hydraulische 1D en 1D2D modellen, ontwerpen van hydro-klimatologische netwerken en hydrologische informatiesystemen, hoogwater-voorspelling en beheersing en ontwerp van hydraulische constructies. Van 1970 tot 2009 werkzaam bij Waterloopkundig Laboratorium De Voorst/Delft Hydraulics en Deltares en daarna als zelfstandig adviseur hydrologie en hydraulica voor de Wereldbank en consultants.

DEEL DIT ARTIKEL:

Climate Intelligence Clintel

meer nieuws

Voormalige Tsjechische President Václav Klaus benoemd tot president van Clintel

Voormalige Tsjechische President Václav Klaus benoemd tot president van Clintel De Climate Intelligence Group (Clintel) is zeer vereerd dat professor Václav Klaus, de voormalige president van Tsjechië, vanaf vandaag de nieuwe president van Clintel zal zijn, als opvolger van de huidige president, professor Guus Berkhout, die in 2019 samen met de Nederlandse […]

2025-12-08T07:21:03+01:004 december 2025|Categories: Nieuws|Tags: |

Tijd om te stoppen met doen alsof hernieuwbare energie goedkoop is

Dit artikel van Tilak Doshi stelt de algemeen heersende aanname aan de kaak als zouden wind- en zonne-energie door hun aard ‘goedkoop’ zijn. Hij stelt dat als de volledige kosten van de levenscyclus, materiaalbeslag en intermittentie van deze energievormen in de beschouwing worden meegenomen, hernieuwbare energie wel eens veel duurder kan blijken dan vaak wordt beweerd.

2025-12-11T10:36:26+01:0010 december 2025|Categories: Nieuws|Tags: , , , |

The post CO2 is niet de boosdoener; net-zero is onzin appeared first on Clintel.

Posted in Column | Leave a comment

Vervolg cultklassieker Amsterdamned in première: “Het is grimmiger”

Het langverwachte vervolg op Amsterdamned, de cultklassieker uit 1988, ging gisteravond in première in Tuschinski. Meerdere acteurs uit de oorspronkelijke film keren terug in dit nieuwe deel. AT5 was erbij en sprak met de cast en genodigden. 

In Amsterdamned II vertolkt Huub Stapel na 37 jaar opnieuw de rol van rechercheur Eric Visser, die weer wordt geconfronteerd met een reeks bizarre moorden. Ditmaal staat hij niet alleen: hij krijgt hulp van de jonge rechercheur Tara Lee, gespeeld door Holly Mae Brood.

Brood keek lang uit naar dit moment, maar voelt ook gezonde spanning. “Ik merk dat sinds we begonnen zijn, er iets omheen hangt: hoe wordt het? Iedereen is ermee bezig en nu geven we het eindelijk aan de rest van de wereld”, vertelt ze.

Ook Stapel geniet zichtbaar van zijn terugkeer. Over opnieuw in de huid van Eric Visser kruipen zegt hij lachend: “Het is natuurlijk raar dat je na 37 jaar weer terug bent. Zoiets gebeurt bijna nooit als acteur”. Actrice Tatum Dagelet, die als kind in het origineel speelde, vult aan: “Het voelt heel bijzonder, beetje melancholisch.”

Regisseur Dick Maas vertelt: “Ik wil niet te veel verraden, maar het is grimmiger, realistischer en spectaculairder.”

Op de vraag wat de cast zelf van Amsterdam vindt, lopen de meningen uiteen: “Amsterdam is een sprookje” tot aan ”vroeger had je niet van die fatbikes, ik vind het nu te druk.”

Tot slot benadrukt Maas dat AT5 niet kon ontbreken tijdens de film, en daarom zelfs een kleine rol kreeg: “Het gaat over Amsterdam, daar moet AT5 bij. Dat lijkt me logisch.”

Amsterdamned II draait vanaf donderdag 4 december in de bioscopen.

Posted in Column | Leave a comment

Suriname 50 jaar onafhankelijk: ”Als je maar wel een polonaise kan dansen”

Deze week viert Suriname 50 jaar onafhankelijkheid. Wat is de invloed geweest van de komst van tienduizenden Surinamers naar Amsterdam rond die tijd en hoe heeft de Surinaamse cultuur de stad beïnvloed? In een serie van vijf afleveringen kijkt AT5 hoe beide culturen zich hebben vermengd op het gebied van muziek, eten, lifestyle, taal en voetbal. In de laatste aflevering duiken we de studio in met Architrackz en gaan langs bij zanger Edgar Burgos. 

Edgar Burgos, bekend als zanger van de band Happy Boys en later Trafassi, kwam vijftig jaar geleden vanuit Suriname in Amsterdam wonen. Twee maanden voor de onafhankelijkheid. Surinaamse ritmes in de Nederlandse muziekscene waren volkomen nieuw in die tijd. ”Het enige wat de mensen hier kenden was het liedje: O Nederland, geef me rijst met kousenband”, vertelt Burgos.

”Dus toen we hier kwamen, waren we de pioniers die Surinaamse muziek handen en voeten moesten geven.” En dat deed Burgos door een nieuw genre te creëren: exotische pop.  Hierin komen verschillende Surinaamse stijlen samen. ”Maar dan kan je nog geen polonaise dansen, en dat is belangrijk voor de Nederlanders”, lacht Burgos. ”Dus ik heb de ritmes wat verzacht zodat je er toch een polonaise op kan dansen.” En dat viel in de smaak. Het nummer Wasmasjien, uitgebracht in 1985, werd een megahit. 

In de studio aan de Danzigerkade ontmoeten we Architrackz samen met zijn zoontje Dashawn. Samen hebben ze een Surinaams kinderliedje opgenomen. ”Ik vind het belangrijk dat hij zijn roots wel kent”, legt Architrackz uit. 

Architrackz gebruikt de Surinaamse ritmes zelf ook veel in de muziek die hij produceert. ”Als je ooit naar een Surinaams feestje bent geweest dan weet je hoe gezellig het is. Dat effect wil ik overbrengen op een groter publiek.” Anders dan Burgos transformeert hij de Surinaamse ritmes niet, maar mixt ze met andere stijlen. Hij laat ons het nummer Volgende Stap horen. ”Dit is het perfecte voorbeeld, je hoort de kawina-slagen, maar het is ook urban. En daardoor voor iedereen toegankelijk.”

Of het nu mixen of transformeren is, de Surinaamse ritmes zijn niet weg te denken uit de Nederlandse muziekscene. ”Het brengt gewoon een vreugde met zich mee en dat is wat mensen willen horen als ze naar muziek luisteren”, sluit Architrackz af.

Posted in Column | Leave a comment

Suriname 50 jaar onafhankelijk: ”Surinaamse keuken werd vooral als afhaal gezien”

Deze week viert Suriname 50 jaar onafhankelijkheid. Wat is de invloed geweest van de komst van tienduizenden Surinamers naar Amsterdam rond die tijd en hoe heeft de Surinaamse cultuur de stad beïnvloed? In een serie van vijf afleveringen kijkt AT5 hoe beide culturen zich hebben vermengd op het gebied van muziek, eten, lifestyle, taal en voetbal. In de tweede aflevering gaan we koken met Jim en Tiffany Hiralal. 

Bakkeljauw, roti, moksi alesi of een broodje pom. Amsterdammers hoeven niet lang na te denken als je ze vraagt wat hun favoriete Surinaamse gerecht is. De Surinaamse keuken is dan ook niet meer weg te denken uit de stad. Maar dat was vijftig jaar geleden wel anders. 

Jim Hiralal staat als chef in de keuken van het Surinaams restaurant van zijn dochter: Papa Aswa in Oost. Hij kwam in 1981 vanuit Suriname in de Bijlmer wonen. ”Je had daar toen heel weinig Surinaamse producten. Dus je moest naar de Albert Cuyp om je boodschappen te doen.”

Langzaamaan raakte de Surinaamse keuken steeds meer ingeburgerd. ”Amsterdammers moesten vooral even wennen aan de geuren”, vertelt Jim. 

Na zelf een Surinaams cateringbedrijf te hebben gehad, werkt Jim nu samen met zijn dochter Tiffany. Vorig jaar opende ze het restaurant met een duidelijke missie. ”Ik zag dat de Surinaamse keuken vooral werd gezien als afhaal, terwijl het een hele rijke keuken is die je ook in een restaurantsetting zou moeten hebben.”

In het restaurant bereiden ze de traditionele Surinaamse gerechten op een eigentijdse manier. Heri heri als een verfijnd hapje, bakabana op een stokje en cassave als friet: ”maar alle traditionele ingrediënten zitten er wel in.” 

En dat is belangrijk voor Tiffany. ”Ik ben altijd heel trots geweest op de Surinaamse keuken. En ik weet dat Surinamers vijftig jaar geleden ook trots waren op hun keuken. Maar ze wisten niet hoe ze dat konden uiten. En nu, in de nieuwe generatie, laten we het echt zien. En dat wordt doorgegeven aan zowel de Amsterdammers als de echte Surinamers.”

Posted in Column | Leave a comment

Opening Suriname Museum vanmiddag live op AT5

Vandaag opent koning Willem-Alexander hoogstpersoonlijk het Suriname Museum aan de Zeeburgerdijk in Oost. Samen met burgemeester Halsema en enkele wethouders wordt hij om 13.30 uur ontvangen door een orkest bazuinblazers. AT5 is er die dag live bij in een speciale uitzending rond de viering van 50 jaar onafhankelijk Suriname.

Het is bekend dat de koning uitsluitend bij hele speciale gelegenheden een opening verricht in de hoofdstad. De vorst, die op 1 juli 2023 tijdens de Nationale Herdenking Slavernijverleden namens de staat officieel excuses aanbood voor het Nederlandse slavernijverleden, opent nu het Suriname Museum, dat ruim aandacht biedt aan de slavernijgeschiedenis. 

De koning zal om 13.30 uur zijn entree maken aan de Zeeburgerkade en zal getuige zijn van een inwijdingsritueel door nazaten van inheemse Surinamers. Er worden speeches gehouden door museumdirecteur Jan Gerards en burgemeester Femke Halsema.

De Surinaams-Nederlandse zanger Jeangu Macrooy zal hierna het Surinaams volkslied ten gehore brengen onder begeleiding van zangeressen van het ZO! Gospelkoor. Ook onthult de koning die middag een plaquette met daarop openingsdatum van het nieuwe museum. Daarna krijgt Willem-Alexander een rondleiding door het gebouw en spreekt hij met diverse betrokkenen van het museum en de Surinaamse gemeenschap.

Opening live op AT5

De opening is dinsdag vanaf 13.20 uur live te zien op AT5 in een speciale uitzending waarbij ook een documentaire van AT5 te zien zal zijn over de totstandkoming van het Suriname Museum.

Posted in Column | Leave a comment